De barre oversteek naar Ameland in 1917

- Aanleiding - - Levenswandel - - Mobilisatie - - Hospitaal - - De oversteek - - Krantenbericht - - Brief Hoekstra - - Brief Bleeker 1 - - Brief IJnsen - - Brief Bleeker 2 - - Brief Molenaar - - Brief Visser - - Brief Bleeker 3 - - Brief Bleeker 4 - - Verslag de Jong - - Brief de Jong - - Rouwadvertenties - - Leeuwarder Courant - - Tames Oud - - Het Boekje - - Nawoord - - Gastenboek - - Contact - - Links -

In het Militaire Hospitaal te Amersfoort.

Eind 1916 kreeg hij de zeer besmettelijke keelziekte difterie en werd ernstig ziek op 16 december opgenomen in het Militair Hospitaal, Barak 3 te Amersfoort, waar hij geïsoleerd werd verpleegd. In die tijd stierven nog veel mensen aan deze ziekte, met name ook in dit hospitaal.

Jacob staande in het midden met een viool.

Op 29 december 1916 schreef Jacob aan zijn broer Piet Bleeker een ontroerende persoonlijke brief. Hieruit bleek dat hij zich dood ongelukkig voelde temidden van alle ellende die zich afspeelde in dat hospitaal. Hij had al veel soldaten aan deze ziekte zien overlijden. Klaarblijkelijk werden er ook lijken opengesneden voor onderzoek.

Alhoewel het hem wegens besmettingsgevaar streng verboden was brieven te versturen, waagde Jacob toch de gok.

Het speet hem geweldig dat hij de Kerstdagen en de jaarwisseling niet thuis bij zijn familie kon doorbrengen. Toch hoopte hij de volgende dag te worden ontslagen, alhoewel hij daar grote twijfels aan had.

Mijn vader, die in Alkmaar een betrekking had aanvaard, was toen bij zijn ouders op Ameland om de Kerst en het Nieuwjaar bij hen door te brengen. Deze brief werd daarom naar Ameland gestuurd.

Zijn uitspraak in deze brief: "de fijne lui (hiermee bedoelde hij de streng gelovige Gereformeerden) zeggen je gaat toch niet dood voor je tijd" was in dit verband des te tragischer, omdat hij binnen een maand, als indirect gevolg van deze ziekte, toch nog zou overlijden, ofschoon onder geheel andere omstandigheden. Mijn vader heeft deze brief echter niet vernietigd, zoals zijn broer het dringend aan hem vroeg. Zodoende krijgen wij een indruk van de toestanden in het toenmalige Militaire Hospitaal in Amersfoort.

Aan het eind van zijn brief schreef hij over zijn plan om zijn vader in Amsterdam op te zoeken. Deze zou op 10 januari 1917 met het stoomschip de "Salland" van de Koninklijke Hollandsche Lloyd naar Buenos Aires in Argentinië vertrekken. De gezagvoerder was de bekende kapitein/schrijver A.Vreugdenhil.

Op 23 januari 1917 werd het schip in het Engelse kanaal echter door de Duitse onderzeeboot, de "U 55", getorpedeerd en tot zinken gebracht. Door de Britse torpedobootjager "Hope" werd de 38-koppige bemanning opgepikt en overge-bracht naar Plymouth.

Jacob heeft zijn vader niet in Amsterdam kunnen ontmoeten. In zijn tweede en laatste brief van 3 januari 1917 aan mijn vader schreef hij n.l. dat het ontslag uit het hospitaal met 14 dagen was uitgesteld.

Gelukkig bleek hij wel aan de beterende hand te zijn. Desondanks was het voor hem een kwelling nog langer hier te moeten blijven. Hij schreef hierover o.m.: "Ik heb hier ook een beroerd leven en hoe langer je in deze pest omgeving bent hoe zieker je wordt, nu wil ik niet zeggen dat ik nu nog ziek ben, maar alleen de gedachte dat je hier zoolang moet zijn maakt je beroerd"

Over de goede band die hij met zijn broer Piet had schreef hij in deze emotionele brief o.m.: "We kennen immers zoo goed met elkaar opschieten, is ‘t niet Piet ?". Hij zou graag op dat moment met hem over het Amelandse strand zwerven en later kievitseieren met hem gaan zoeken.

Verder vermelde hij: "Ik verwacht spoedig een grote brief van je Piet en dan moet je ook schrijven hoe of je thuis gehad hebt, of dat je ook aan ‘t jutten geweest ben, enz, enz, je moet maar denken hij heeft anders ook niets".