De barre oversteek naar Ameland in 1917

- Aanleiding - - Levenswandel - - Mobilisatie - - Hospitaal - - De oversteek - - Krantenbericht - - Brief Hoekstra - - Brief Bleeker 1 - - Brief IJnsen - - Brief Bleeker 2 - - Brief Molenaar - - Brief Visser - - Brief Bleeker 3 - - Brief Bleeker 4 - - Verslag de Jong - - Brief de Jong - - Rouwadvertenties - - Leeuwarder Courant - - Tames Oud - - Het Boekje - - Nawoord - - Gastenboek - - Contact - - Links -

Ingezonden brief van Piet Molenaar, 14 maart 1917.

Het was te begrijpen dat ook deze ingezonden brief van Cornelis de nodige reacties op het eiland Ameland op zouden roepen.

In het "Nieuwsblad Dockum" verschenen dan ook de tegenargu-menten van Piet Molenaar, namens enkele betrokkenen.

INGEZONDEN.

(Buiten verantwoordelijkheid van de Redactie.)

Geachte redactie!

Daar er al veel over de noodlottige tocht, waar de milicien-onderofficier zoo noodlottig om het leven is gekomen, is geschreven en gewreven en waar nu C.Bleeker, onderwijzer te Vaassen in het blad van 7 Maart de kroon op heeft gezet, acht ik mij gedwongen om er tegen in te gaan.

In punt 2 beweert hij, dat de tocht op 21 Januari roekeloos was, wat ik niet kan ontkennen, tevens dat er te weinig levensmiddelen en reddingsmateriaal was medegenomen, maar wie had daar eigenlijk voor moeten zorgen? Bij den dienst zijn wij gewoon, dat zooiets door je meerdere wordt geregeld.

Ten 3e beweert C.Bleeker, dat er te hard is geloopen, waardoor enkelen spoedig aan het einde hunner krachten waren. Maar werden we niet gedwongen daar we eerst, tot aan de knieën toe nat, en op een plaats een klein half uur moesten wachten, omdat er nog te veel water was, en wie zou dan niet vlug gaan loopen? Wie zou dan op zijn gemak gaan wandelen, daar de koude snijdende wind de ledematen bijna stijf deed vriezen en niemand vermoedde toen, dat het met zooveel vermoeienissen en ellende zou gepaard gaan. Hadden we het vooruit geweten, niemand zou gedraald hebben, terug te keeren.

Ten vierde schrijft hij, dat men niet de juiste koers had genomen. In Buren zijn lui, die er wel bekend zijn, en die zeggen dat we de richting wel goed hadden, maar daar er overal ijs lag, konden we de geschikte plekken in de geulen niet zien en waren daardoor verplicht, recht door zee te gaan.

In artikel 5 komt o.a. voor, dat G. de Jong hem had medegedeeld, dat hij en K. IJnsen hem op een kwartier afstand van de wal moesten achterlaten, maar hebben zij ook gezegd, van wie zij hem overgenomen en hoever zij hem gebracht hebben? Ik heb omstreeks een half uur met hem omgeploeterd, op het laatst meer dragend dan loopende.

Meermalen heb ik enkelen gevraagd mij af te lossen, maar dan kreeg ik ten antwoord: "Ik heb genoeg aan mijn eigen", wat bij sommigen ook wel waar was. In het begin zei hij meer dan eens: "Jongens laat mij maar liggen, ik haal de wal toch niet".

En daar we op het laatst wel inzagen, dat we zoo de wal toch niet haalden, besloten we om hulp te gaan halen en nadat men mij had beloofd, hem zoolang bezig te houden tot er hulp kwam, ging ik op weg. Op de kooiplaats aangekomen, liep het zweet mij van het gelaat. Toen is direct een kar weggereden met dekens en droge kleren voor de ongelukkige.

Had ik geweten dat hij alleen was gelaten, ik had niet gedraald weer mee terug te gaan, dat kunnen de kooibewoners getuigen. Dan had hij, zooals in punt 6 staat, daar geen uur behoeven te liggen, maar meenende dat er volk was bij gebleven, ging ik door naar Buren, zoo hard mijn bevroren kleeren dat toelieten, waar ik eenige mannen aantrof, die nadat ik hun de toestand had medegedeeld, er op af gingen en hem dan ook van het ijs hebben gehaald, met veel moeite.

Zooals in punt 8 staat, was het meerendeel jonge krachtige mannen, maar al is men nog zoo jong en krachtig, eenmaal houdt het op, dat kan men zien aan sergeant Bleeker en de mil. Vink, die toch ook jong en krachtig waren en dan nog de Vries, die ook nog niet oud was. Wat punt 9 betreft, daar kan ik niet over oordeelen, maar over punt 10 deste meer, daar het mij persoonlijk aangaat.

Daar geeft C.Bleeker mij den naam van individu, wat een slecht voorkomen moet maken, die een tijd later reeds op schaatsen stond. Had ik mijn krachten gespaard door de ongelukkig aan zijn lot over te laten, dan had C.B. recht van spreken, maar dat is het geval niet.

Ik heb mijn plicht gedaan, zoo goed er maar een is, en die het tegendeel durft te beweren, die liegt, platweg gesproken. En dan durft hij nog te beweren dat er meer had kunnen gedaan worden, zou hij daar wel geheel zeker van zijn?

Niet ieder treft een verwijt, schrijft hij en dan bedankt hij de lui weer, die zijn broeder hebben bijgestaan. Die regels doen mij denken aan het spreekwoord: "Hij heeft de klok wel hooren luiden, maar weet niet waar de bengel hangt". Ja, want als B. goed geïnformeerd had, had hij zoo niet geschreven.

Waarom heeft hij niet persoonlijk ondervraagd? Waarom zoo maar in het dolle weg een stuk in de courant te schrijven. Had hij mij om inlichtingen gevraagd, ik had ze hem gegeven en geef ze nog wel als hij dat woord terug neemt. En heeft hij zichzelven al eens afgevraagd, wie de schuld is van dit alles? Hij zal dan erkennen dat de verongelukte zelf de meeste schuld had. Had hij zijn gezondheidstoestand in acht genomen en was in Holwerd gebleven, dan had er van dit alles niets gekomen, daar hij pas 4 weken in het hospitaal had gelegen en daaruit pas 2 dagen was ontslagen. In deze laatste regels ligt alles opgesloten.

Het spijt mij dat ik zoo moet schrijven, maar het is toch de waarheid. En dan had C.B. het nog gerechtelijk willen laten onderzoeken.

Om mij had hij dat gerust kunnen doen, want wat ik hier geschreven heb de zaak aangaande, durf ik ook als het moet, wel met een eed te bevestigen.

Ook hier wordt het spreekwoord weer bewaarheid: "Ondank is des werelds loon".

P. MOLENAAR

1e O., 1e R., 11e B.I.(= Bataljon Infanterie), Ede.