De barre oversteek naar Ameland in 1917

- Aanleiding - - Levenswandel - - Mobilisatie - - Hospitaal - - De oversteek - - Krantenbericht - - Brief Hoekstra - - Brief Bleeker 1 - - Brief IJnsen - - Brief Bleeker 2 - - Brief Molenaar - - Brief Visser - - Brief Bleeker 3 - - Brief Bleeker 4 - - Verslag de Jong - - Brief de Jong - - Rouwadvertenties - - Leeuwarder Courant - - Tames Oud - - Het Boekje - - Nawoord - - Gastenboek - - Contact - - Links -

De bedenkingen van de sergeant J.Hoekstra en Cornelis Bleeker, betreffende de twijfelachtige houding van de tochtgenoten, lokten natuurlijk reactie uit van de zijde van de tochtgenoten.

Ingezonden brief van Jan en Klaas IJnsen, 17 februari 1917.

Een week later werd in het "Nieuwsblad Dockum" de volgende brief van de mede-tochtgenoten Jan en Klaas IJnsen opgenomen.

INGEZONDEN.

(Buiten verantwoordelijkheid van de Redactie.)

Hollum (A.), 12 Febr. '17.

Geachte Redactie!

Verzoeke beleefd eenige ruimte in Uw veelgelezen blad, en wel naar aanleiding van het ingezonden stuk van Sergeant Hoekstra te Amersfoort, in verband met het omkomen van Sergeant Bleeker van Hollum, op den treurigen tocht van 21 Jan. j.l.

In een correspondentie in de Leeuwarder Courant heeft Hoekstra gelezen dat wij Bleeker in den steek hebben gelaten, dat wij hem heel goed hadden kunnen dragen, enz. Wie zegt dat? Waar is de correspondent die dat durft te schrijven? Laat hem zijn naam noemen; wij zullen hem antwoorden?

Wij denken dat als hij, evenals ondergeteekenden, die de reis had meegemaakt tijdens de bittere koude en den snerpende wind,- hij wel anders zou praten! Stel U voor bij elke stap tot aan de knieƫn, ja soms aan de heupen door het ijs en water terwijl de Oostenwind je haast gevoelloos maakte en de koude je schier deed bevriezen....

Behalve voor Bleeker hadden wij nog te zorgen voor A.Vink en K.H. de Vries, die zoo min waren, dat zij niet meer gehoopt hadden, vrouw en kinderen weer te zien! Wij getuigen hier in 't openbaar, dat wij gedaan hebben, wat wij konden en dat de 2e ondergeteekende en G.C. de Jong tot het laatst den ongelukkigen B. hebben bijgestaan!

Toen voor de sergeant B. alle hoop was opgegeven, zijn wij naar den wal gegaan, om naar den wagen te kijken die hem zou afhalen.

Hulp mocht echter niet meer baten: de arme jongen heeft de zijnen niet weer gezien! Maar ons treft geen schuld: toen wij met B. bezig waren, voelden wij ons onpasselijk worden door de koude en vermoeienis,- en had het langer geduurd, dan waren er meer dooden gekomen!

De lui uit Nes en Buren (A.) waren ons reeds ver vooruit om een wagen te bestellen! En dat leugenachtig bericht in de L.Crt. (Leeuwarder Courant) zou dat ook niet van Oosten komen?

Wij gaan eindigen. Wij meenden dit stuk te moeten schrijven, daar er allerlei praatjes op en buiten ons eiland over deze treurige zaak worden rondgestrooid. Bij de warme kachel kan men er gemakkelijk over praten, maar om de ellende zelf mee te maken, dat is wat anders!

Geachte Redactie!

Onzen dank. Achtend,

JAN J.IJNSEN.

KLAAS J.IJNSEN.