De barre oversteek naar Ameland in 1917

- Aanleiding - - Levenswandel - - Mobilisatie - - Hospitaal - - De oversteek - - Krantenbericht - - Brief Hoekstra - - Brief Bleeker 1 - - Brief IJnsen - - Brief Bleeker 2 - - Brief Molenaar - - Brief Visser - - Brief Bleeker 3 - - Brief Bleeker 4 - - Verslag de Jong - - Brief de Jong - - Rouwadvertenties - - Leeuwarder Courant - - Tames Oud - - Het Boekje - - Nawoord - - Gastenboek - - Contact - - Links -

Ingezonden brief van Cornelis Bleeker (3), 16 maart 1917.

Enigszins geschrokken van deze felle reactie's reageerde Cornelis Bleeker hierop met de volgende bewoordingen.

INGEZONDEN.

(Buiten verantwoordelijkheid van de Redactie.)

Geachte Redactie!

Zooeven ontving ik Uw blad van Woensdag 14 Maart '17 en las daarin het ingezonden stuk van P.Molenaar. Ofschoon ik reeds na de uiteenzetting van het gebeurde door den vader van genoemden Molenaar mijn woorden op een voor hem meest voldoening gegeven wijze heb ingetrokken, moeten mij naar aanleiding van genoemd stuk toch de volgende opmerkingen van het hart.

Dat Molenaar zich verongelijkt acht kan ik begrijpen, dat hij zich verontwaardigd toont, zelfs waardeeren, maar dat dit hoofdzakelijk is naar aanleiding van het woord "individu", zie dat wil er bij mij niet in. Op gevaar af van den geleerde uit te hangen, iets waar ik tusschen twee haakjes gruwelijk het land aan heb, wil ik toch trachten Molenaar duidelijk te maken, dat het woord "individu" een geheel andere beteekenis heeft, dan hij er aan wil geven.

Dit woord beteekent n.l. niets anders dan een wezen, een persoon geheel, zooals het zich door zijn eigenaardige eigenschappen van andere wezens of personen onderscheidt. 't Bewijs hiervan ligt al opgesloten in uitdrukkingen als: een ongunstig uitziend individu, een slecht bekend staand individu, enz. Had dit woord nu een ongunstige betekenis, dan behoefde men er de overige woorden niet bij te gebruiken. In dit verband wijs ik op het boek, dat tot titel heeft: "Het leven der individuen onderling in verband met hun eigenschappen".

Ja, sterker nog, ik had zelfs het woord "creaturen" kunnen bezigen, zonder dat iemand ter wereld mij daarom met succes zou kunnen aanvatten, daar dit woord synoniem is met "individu" en als dit dus: schepsel, wezen, mensch, enz. betekent. Wanneer men de woorden; personen, mannen, enz. al heeft gebezigd, is het vervelend in herhaling te treden, vandaar dat ik het door Molenaar zoo gewraakte woord "individu" gebruikte. Ziedaar alles!

Als antwoord op het door mij genoemde punt 2, waarbij ik de aandacht heb gevestigd op het verzuim levensmiddelen en reddingsmateriaal mede te nemen, zegt Molenaar, dat zij in dienst gewend zijn, dat zoo iets door de meerdere wordt geregeld. Hij bedoelt hier waarschijnlijk, dat wijlen mijn broeder daarvoor aansprakelijk moet worden gesteld. Dit bestrijd ik ten stelligste!

Vooreerst weet Molenaar zeer goed, dat wanneer Amelanders onder elkaar zijn, elke rang en stand vervalt.

Ten tweede was mijn broeder milicien-Onderofficier, dat wil zeggen dat hij met alle respect voor den militairen dienst burger in zijn hart was, vooral in de verlofdagen.

Ten derde weet ieder, die mijn broeder heeft gekend, dat hij, uitgezonderd in den diensttijd, geen persoon was om te bevelen.

Ten vierde waren er misschien wel meer dan de helft burgers bij. Alles samen genomen spreek ik hier als mijn overtuiging uit, dat mijn broeder voor genoemd verzuim niet aansprakelijk mag worden gesteld.

Ik beschouw het veeleer als onnadenkendheid; geen bepaald persoon treft schuld en ik twijfel dan ook niet of Molenaar zal het met mij eens zijn. Verder zegt Molenaar, dat ik niet bij hem geïnformeerd heb. Vooreerst was mijn tijd zeer beperkt en ten tweede en dit is wel de voornaamste reden, men heeft mij op Ameland gezegd, dat alle militairen reeds lang weer in hun garnizoen waren.

En wat dat op een dolle wijze in de courant schrijven betreft, antwoord ik Molenaar, dat ik van de 10 door mij opgenoemde punten er slechts één heb moeten terugnemen. Iemand schrijft alleen dan op een dolle wijze als hij zonder informatie's genomen te hebben maar raak schrijft en later tot de overtuiging komt, dat het meeste door hem beweerd klinkklare onzin is.

Meermalen heb ik enkelen gevraagd mij af te lossen, maar dan kreeg ik ten antwoord: "Ik heb genoeg aan mijn eigen", wat bij sommigen ook wel waar was, schrijft Molenaar. In dezen zin ligt voor mij een wapen om mij te kunnen verdedigen als ik beweer dat er meer had kunnen gedaan worden dan er gedaan is. Er ligt immers ten duidelijkste in opgesloten: de meesten hadden mij wel kunnen aflossen, maar sommigen waren hiertoe niet in staat. Blijkens zijn verder schrijven, had men Molenaar beloofd, bij mijn broeder te blijven, maar men heeft dit niet gedaan, want, zegt de schrijver, had ik geweten, dat hij alleen was gelaten, dan had ik niet gedraald weer terug te komen.

Waarom mijn broeder alleen gelaten en de bagage meegenomen?

Stel U voor op een kwartier afstands van Ameland ligt een flinke, jonge man ruim een uur lang te worstelen met den dood, verlaten door zijn metgezellen. 't Is ontstellend! Alle omstandigheden wil ik billijken en toegeven, maar het meenemen der bagage kan onmogelijk worden goedgepraat. Verkeert U in levensgevaar en is men tegelijker tijd uitgeput, dan redt men alleen zijn leven en niets meer dan dat. Bovendien had mijn familie en ik zelf trouwens ook de eventuele schade meer dan dubbel willen vergoeden. Dat mijn broeder den overtocht niet had moeten doen, geef ik gaarne gewonnen. Maar hoe gaat het hiermede?

Als anderen gaan, waaronder enkelen op het oog kleiner en zwakker, dan wil men als groote, sterke kerel niet blijven staan. Het staat bij mij vast, dat een vals eergevoel mijn broeder zeer waarschijnlijk heeft aangezet om den tocht te wagen, temeer daar ik uit goede bron vernam, dat hij er geen lust toe gevoelde.

Ook meende hij reeds in het bezit van zijn volle kracht te zijn, terwijl hij onkundig was van het feit, dat na diphtheritis het hart van den mensch lang in verzwakten toestand blijft en bijgevolg niet in staat is bijzondere inspanning te verdragen.

Nu mijn broeder evenwel toch mee is gegaan, was het de gewoon menschelijke, ja zelfs wettelijke plicht hem bij te staan, hem te helpen, zooveel in het vermogen zijner metgezellen lag, iets wat door Molenaar o.a. ook gedaan is.

Aan het slot van zijn artikel wil Molenaar beweren, dat wij ondankbaar zijn. Niets minder, waar dan dat, want alles wat aan Jacob Bleeker is gedaan beschouwen wij als aan ons gedaan en kunnen dus daarvoor niet dankbaar genoeg zijn.

Ik besluit dan ook met hier in het openbaar te zeggen, dat ik Molenaar acht, zooals men een flinken kerel acht, aan wie men veel is verschuldigd.

Vaassen, 16-3-'17

C.Bleeker.